De ultieme maatregel van de regering om onze pensioenen te kraken, en wij moeten ze tegenhouden

Ken je dat vervelende gevoel dat je op het einde van de avond met lege zakken staat, met het verliezende ticket van de tombola in je hand? Dat is wat de regering van plan is met onze pensioenen. Het pensioen met punten, zo heet het beest, en hier vind je alles wat je erover moet weten.

De studiedienst van de PVDA maakte een brochure over het pensioen met punten. U kunt ze hier downloaden.

“Ik ben verpleegster”, zegt Marie. Ze is 59 en had gehoopt volgend jaar te kunnen stoppen met werken. Maar als ze een pensioen van 1.300 euro wil, zal ze moeten werken tot 65, dat heeft ze gezien op mypension.be. “Ik heb nu al te maken met beginnende gezondheidsproblemen. Rugproblemen, bijvoorbeeld. Mijn man is zelfstandige en zal een pensioen krijgen van 1.100 euro. Ons gezamenlijk pensioen zal niet vet zijn.”

De moeder van Marie is 84. Haar spaargeld raakt stilaan uitgeput. Over twintig maand zal ze alleen nog haar pensioen hebben. Dat bedraagt 1.500 euro, maar het OCMW-rusthuis kost 1.850 euro. Elk jaar stijgt dat bedrag. “En denk niet dat het daar grote luxe is. Als je ziet wat ze daar te eten krijgt, dan ben ik beschaamd. Over twintig maand heeft ze dus niets meer om de rekening bij te passen. Wij zullen dat moeten doen.”

Daar komt nog eens bij dat een van de kinderen van Marie geen echt werk vindt. Hij verdient maar 800 euro per maand. Marie en haar man willen hem niet laten vallen, ze helpen hem om de huur te betalen. “Zie je in welke situatie wij gezet worden? Wat ik niet begrijp is waarom de regering ons het leven onmogelijk maakt, in plaats van ons te helpen.”

We moeten nog veel verder gaan

In 2013 start de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040, in het leven geroepen door Alexander De Croo (Open Vld) en Sabine Laruelle (MR), haar werkzaamheden. Haar opdracht bestaat erin hervormingen uit te werken die “de sociale en financiële duurzaamheid van onze pensioenstelsels verder versterken”.

De regering zoekt een draagvlak om de pensioenleeftijd te verhogen en het wettelijk pensioen te verlagen

De Croo laat in 2014 duidelijk verstaan wat de uiteindelijke doelstelling is: “In het licht van de vergrijzing zijn gunstige uittredestelsels onhoudbaar. De regering voerde al een eerste reeks belangrijke verstrengingen door inzake de toegangsvoorwaarden voor brugpensioen en vervroegd pensioen. Dat proces moet voortgezet worden. En vooral, we zullen een maatschappelijk draagvlak moeten vinden om verder te gaan.” Een draagvlak dus om de pensioenleeftijd te verhogen en de wettelijke pensioenen te verlagen.

In 2014 brengt de commissie haar eindverslag uit. Paradepaardje onder de aanbevelingen is het puntenpensioen. Dat systeem ligt vandaag ook op de tafel van de regering Michel.

Langer leven, minder pensioen

Het pensioen is een hoeksteen van onze sociale zekerheid. Die “verzekert” ons tegen sociale achteruitgang bij ziekte, invaliditeit, werkloosheid, ouderdom, ... Het puntenpensioen haalt elke zekerheid onderuit.

In de pensioentoren aan het Brusselse Zuidstation wordt voor iedereen een pensioenrekening bijgehouden. Het deel van je loon dat op die rekening genoteerd wordt, ligt in het huidige systeem vast. Het zijn verworven rechten waar iedereen vanaf moet blijven. In het pensioen met punten zal dat niet langer zo zijn. Je hebt geen recht meer op een bepaald pensioenbedrag, je krijgt punten. Je weet tot op de cent nauwkeurig hoeveel bijdragen je betaalt, maar je weet niet welke uitkering je daarvoor krijgt en wanneer je je pensioen kunt plannen.

Per gewerkt jaar waarin je evenveel verdient als het gemiddeld loon, krijg je één punt. Verdien je 10% meer, dan krijg je 1,1 punt, verdien je 10% minder, krijg je 0,9 punt. Ook als je deeltijds werkt, werkloos bent, in SWT, tijdskrediet of loonbaanonderbreking, krijg je minder punten. Het aantal punten dat je verzamelt, hangt niet alleen af van de lengte van je eigen loopbaan, maar ook van de lengte van alle loopbanen. Men wil iedereen verplichten om stelselmatig langer te werken. Als je vroeger stopt, verlies je een deel van je opgebouwde punten.

Je weet tot op de cent wat je bijdraagt, maar niet welke uitkering je daar voor krijgt

Wanneer je met pensioen kan gaan, hangt af van een aantal factoren: de levensverwachting, de evolutie van de sociale bijdragen en de evolutie van de overheidsfinanciën. Pas drie jaar op voorhand zal “vastgeklikt worden” wanneer je met pensioen kan gaan. Dat betekent dus dat de pensioenleeftijd stelselmatig opschuift, want de levensverwachting stijgt langzaam maar zeker. Het betekent ook dat een nieuwe financieel-economische crisis, waarbij veel jobs verloren gaan, automatisch zal leiden tot een verdere verhoging van de pensioenleeftijd of een verlaging van het pensioen.

Pas wanneer je met pensioen gaat, worden je punten omgezet in euro’s. De waarde van een punt hangt af van het gemiddelde loon. Komen er veel flexi-jobs met lage lonen bij, dan daalt de waarde van je pensioenpunten. Ook de gemiddelde levensverwachting, en de financiële toestand van de overheid zullen mee de waarde van het pensioenpunt bepalen. Worden we met z’n allen ouder, komen er minder sociale bijdragen binnen, dienen er zich nieuwe financiële crisissen aan, loopt de staatsschuld al te hoog op…dan daalt de waarde van onze pensioenpunten. Het puntenpensioen maakt de hoogte van je pensioen dus afhankelijk van factoren die niets met je loon te maken hebben.

Zweden lusten geen beursrisico

Om het pensioen met punten te promoten, wordt graag verwezen naar buitenlandse voorbeelden. Grote referentie is het Zweedse model. Ook daar werd de invoering van een puntensysteem voorbereid door een commissie van academici en experten.

Het Zweedse pensioen bestaat uit drie onderdelen, die samen het verplichte wettelijke pensioen vormen: het garantiepensioen, het inkomstenpensioen en het premiepensioen.

Het garantiepensioen is een basisbescherming tegen armoede. Het wordt niet betaald met bijdragen maar met algemene belastinginkomsten. Het bedraagt maximum 828 euro per maand voor alleenstaanden en 738 euro voor samenwonenden. Het heeft dezelfde functie als onze inkomensgarantie voor ouderen (IGO). Het is een bijstandsuitkering tegen armoede.

Het tweede onderdeel, het inkomstenpensioen, wordt betaald met sociale bijdragen van de actieve bevolking.

92% van de Zweden kiest voor een veilig pensioenfonds

Het derde deel, het premiepensioen, wordt betaald via kapitaaldekking: het geld dat de Zweden ervoor bijdragen, wordt belegd op de beurs en in obligaties en dient voor het eigen latere pensioen. De Zweden beleggen hiervoor 2,5% van hun brutoloon. Ze kunnen daarvoor kiezen uit 850 private beleggingsfondsen. Naargelang ze meer of minder risico willen lopen, kunnen ze kiezen voor riskante aandelenfondsen met een hoge opbrengst of voor veiliger fondsen met een lagere opbrengst. Als iemand niet wil kiezen uit die vele fondsen, worden zijn of haar bijdragen belegd in een opvangfonds. Toen het nieuwe pensioensysteem in 2000 van start ging, wilde slechts een derde van de Zweedse werknemers een actieve keuze maken. Vier jaar later koos al 92% voor het veilige opvangfonds. Vandaag is dat al 98,5%. De Zweden lusten het beursrisico niet.

Op de rem

Zweden illustreert goed hoe het puntenpensioen vol zit met “remsystemen” die werknemers ertoe moeten aanzetten hun pensioen zo lang mogelijk uit te stellen.

De Zweden kunnen op 61 met pensioen, op voorwaarde dat ze 40 jaar hebben bijgedragen. Wie effectief op 61 stopt, krijgt een kwart tot een derde minder pensioen dan wie tot 65 werkt. Stoppen op 61 kost dus wel een pak geld. De richtleeftijd voor de Zweden om met pensioen te gaan, ligt dan ook op 65. Dat is ook de leeftijd waarop ze recht hebben op het garantiepensioen.

De nationale pensioendienst houdt voor iedereen een rekening bij met daarop alle betaalde bijdragen. Ook de gegevens over het premiepensioen komen op deze rekening. Maar er staat nog geen pensioenbedrag op.

Iedere werkende Zweed krijgt jaarlijks een oranje enveloppe van de pensioendienst in de bus. Daarin vier vellen papier met gegevens over de stand van de gestorte bijdragen en de interesten daarop. Het is een virtuele, geen echte rekening. Pas wanneer iemand effectief met pensioen gaat, wordt de optelsom van de bijdragen omgerekend tot een concreet pensioenbedrag.

Een van de centrale parameters die bij die omrekening wordt gebruikt, is de gemiddelde levensverwachting. Omdat die stijgt, leidt dat automatisch tot lagere pensioenen. Hoe langer je pensioen krijgt, hoe lager het maandelijks bedrag wordt.

Omdat de levensverwachting stijgt, gaat het pensioen automatisch naar beneden

Wie de uitkering wil krijgen die zonder een stijgende levensverwachting zou uitbetaald worden op 65, moet langer werken. De pensioendienst rekent netjes uit hoe lang. Zo krijgt iemand die in 1973 geboren is vandaag een pensioenleeftijd van 68 jaar en 6 maanden als uitkomst. Door de automatische rem moeten de Zweden al drie jaar en half langer werken.

Gaat het economisch slecht, dan treedt meteen een andere parameter in werking en gaat de pensioenthermometer volgens een wiskundige toverformule nog maar eens “automatisch” naar beneden.

Het Duitse hongerpensioen

Ook Duitsland heeft een puntenpensioen. En ook daar zien we hoe het pensioenpeil in vrije val is geraakt. Steeds minder van ’s lands rijkdom komt bij de gepensioneerden terecht, hoewel hun aantal jaar na jaar toeneemt. Tussen 2003 en 2016 liep het aandeel van de pensioenbetalingen in het BBP met meer dan 10% terug. De ouderdomsarmoede treft Duitsland vandaag als een Bijbelse plaag: 2,7 miljoen Duitse 65-plussers leven in armoede. Voor 13 miljoen werknemers die vandaag te weinig verdienen, dreigt hetzelfde lot.

In Duitsland is het de “pensioenaanpassingsformule” die de geldwaarde van het pensioenpunt bepaalt. Het is een wiskundig monster, een niet te ontwarren kluwen. Feit is dat de pensioenpunten langzaam maar zeker aan waarde verliezen. Voeg daar nog de stelselmatige verhoging van de pensioenleeftijd en de pensioenvermindering voor wie het werk niet zo lang kan volhouden aan toe, en de slotsom is dat het pensioen voor veel mensen met meer dan een derde zal dalen.

2,7 miljoen Duitse 65-plussers leven in armoede, 13 miljoen werknemers die te weinig verdienen, wacht hetzelfde lot

Holger Balodis, pensioenspecialist van Der Spiegel, schetst de weinig fraaie Duitse realiteit: “Een hogere pensioenleeftijd is alleen maar een verdere besparingsmaatregel…Terwijl het huidige pensioenbeleid een hele generatie gepensioneerden in de armoede jaagt, dwingt het de jongeren tot waanzinnige voorzorgsmaatregelen die uiteindelijk veel duurder uitvallen dan een behoorlijk wettelijk pensioen. Het pensioenbeleid doet vooral de jonge generatie bloeden. En op oude leeftijd krijgt ook zij nog een hongerpensioentje.”

Het kan ook anders

Het is een Europese trend: de pensioenleeftijd verhogen, de pensioenvoorwaarden verzwaren, de wettelijke uitkeringen en welvaartsaanpassingen afbouwen. De Europese Commissie voorspelt dat het wettelijk pensioen in heel de EU verder zal afnemen: van 44% van het loon in 2013 naar 34,9% in 2060, een vijfde lager dan vandaag.

Ook in België ziet het er belabberd uit. Als we alle pensioenmaatregelen van de regering Michel laten passeren, zal er in 2060 per gepensioneerde een derde van de welvaart minder naar de wettelijke pensioenen gaan dan vandaag.

Daar zit de kern van het debat. Onze landen zijn immers rijk. In België wordt, net als in andere landen, steeds meer rijkdom gecreëerd. Waartoe moet die dienen? Anders gezegd: werken we om beter te leven of moeten we steeds meer werken om een handvol aandeelhouders te verrijken? Moeten we almaar meer winst garanderen voor enkelen of moeten we het recht op rust garanderen voor iedereen? Een dagelijkse rust na een dag werken, een wekelijkse rust met een weekend dat gewijd is aan ontspanning en het gezin. Een jaarlijkse rust ook met betaald verlof en uiteindelijk de rust in relatieve gezondheid aan het eind van ons leven, na een rijk gevulde loopbaan.

Het antwoord op die vraag is politiek. De politiek van de mensen of de politiek van de winst. De PVDA kiest voor de politiek voor de mensen. De politiek van diegenen die de rijkdom van onze samenleving maken. In België besteden we 10,5% van het BBP aan pensioenen. Voor N-VA is dat een coherente keuze. Jan Spooren, pensioenspecialist van de partij, zegt: “Wie een eigen huis heeft en wat spaargeld, zal van een pensioen van 1.100 euro kunnen leven.” Een wettelijk pensioen dat flirt met de armoedegrens moet blijkbaar volstaan.

Maar het kan ook anders. Bijvoorbeeld in Oostenrijk. Daar wordt 15% van het BBP geïnvesteerd in het wettelijk pensioen, bijna de helft meer dan bij ons. De Oostenrijkers hebben geen private pensioenfondsen nodig, het wettelijk pensioen volstaat om behoorlijk te kunnen leven.

Iedereen heeft na een lange loopbaan recht op wat rust in een goede gezondheid, zonder financiële zorgen. Wie zijn leven lang gewerkt heeft, moet een pensioen hebben gelijk aan drie vierde van zijn gemiddeld loon, met een minimum van 1.500 euro en ten laatste opvraagbaar vanaf 65 jaar. Onbetaalbaar? Oostenrijk bewijst dat het perfect kan.

 

Op 19 december is er in Brussel een grote betoging voor onze pensioenen. Je hebt tien goede redenen om erbij te zijn.

Al 15.000 mensen tekenden de petitie van de PVDA en sloegen zo alarm voor de pensioenen. Doe jij dat ook?


1 reactie

Gelieve je mail te bekijken voor een link om je account te activeren.
  • heeft deze pagina gevolgd 2017-12-16 18:16:09 +0100

Vul je postcode hieronder in en start de bevraging